Disclaimer

De meningen ge-uit door medewerkers en studenten van de TU Delft en de commentaren die zijn gegeven reflecteren niet perse de mening(en) van de TU Delft. De TU Delft is dan ook niet verantwoordelijk voor de inhoud van hetgeen op de TU Delft weblogs zichtbaar is. Wel vindt de TU Delft het belangrijk - en ook waarde toevoegend - dat medewerkers en studenten op deze, door de TU Delft gefaciliteerde, omgeving hun mening kunnen geven.

KCollet

Karen Collet is persvoorlichter bij de TU Delft. Ze blogt op persoonlijke titel.

Nepstudenten?

Af en toe duikt er in de media iets op dat mijn collega’s en ik niet kunnen plaatsen. Ook de afgelopen dagen kwamen we er maar niet achter wie die twee studenten zijn die volgens een aantal media (AD, Nieuws.nl, RTV Utrecht) een systeem ontwikkelen tegen autobranden. Volgens sommige van de berichten studeren ze Integrated Product Design in Delft. Die studie hebben we, maar de studenten zijn daar niet bekend. Ze staan niet in de studentenadministratie, ze hebben geen e-mailadres van de TU Delft… niets, nothing, nada.

anti autobrandsysteem

Maandag (12 januari) kreeg collega Wendy Batist de eerste journalist aan de lijn die op zoek was naar de beide studenten. Ze dook er in, samen met de collega’s van de faculteit Industrieel Ontwerpen (waar Integrated Product Design deel van uitmaakt) maar kon geen spoor vinden.

We willen journalisten  natuurlijk wel heel graag helpen, dus toen ik dinsdag meer persvragen kreeg, ondermeer uit Hilversum, ging ik verder zoeken. Ook dat bracht me niet verder; niet via de gebruikelijke kanalen binnen TU Delft, ook niet via Google. Geen Facebookpagina’s, geen toevallig berichtje op de website van een sportclub, niets.

Dan de zware middelen maar inzetten ;-): een oproepje op Twitter : ‘Wie kent….’. Ook een berichtje naar de HBO’s op de campus leverde niks op. Niemand kent deze nijvere studenten, lijkt het wel.

Wie kent

Dus nu is de vraag: bestaan ze wel? En bestaat hun onderzoek? Zijn hun namen in de artikels soms zo verhaspeld dat we ze niet kunnen vinden? Of is het weer een projectje van journalisten die willen zien of hun collega’s er in tuinen? (Zie dit blogje van mij en dit blogje van Roy Meijer) Of blijkt er straks weer eens verwarring te zijn tussen de TU’s van Eindhoven, Twente en Delft?
Wie weet het?

Over communicatieafdelingen, universitaire pers en de vrijheid van meningsuiting

Linda Duits waarschuwde op 3 september in Folia voor een toenemende invloed van communicatieafdelingen op de universitaire pers. Tot nu toe heb ik altijd aan de kant gestaan als het schijngevecht tussen journalistiek en voorlichting weer eens losbarstte (meestal gaat die discussie over slechte journalistiek en slechte persvoorlichters), maar dit keer ‘hap’ ik.

Vrijheid van meningsuiting
De vergelijking met het dictatoriale Oezbekistan vind ik echt niet kunnen. Duits doet journalisten en bloggers in dictatoriale landen daarmee onrecht. De repressie van een bevolking door een dictatuur gaat heel veel verder dan een online magazine niet meer financieren. Dat hoef ik niet uit te leggen, toch? Duits schrijft: ‘Controle over wat er gezegd en geschreven mag worden is eng.’ Dat is waar, maar daar gaat het niet om bij  de universiteiten/hogescholen. Iedereen mag zeggen en schrijven wat hij of zij wil. De vraag is in hoeverre een (onderwijs)instelling mensen moet aannemen/betalen om onder een onafhankelijk redactiestatuut over die instelling te schrijven (en om dat als drukwerk te verspreiden). En dat in een tijd waarin iedereen dankzij weblogs, Twitter, Facebook… meer dan ooit te voren mogelijkheden heeft om zijn of haar mening uit te dragen.

love blogging

Ondersteunend
Afdelingen communicatie zijn volgens Duits een ‘bedreiging voor de universitaire praktijk’. Dat verbaast me. Wat we bij Externe Communicatie van de TU Delft vooral doen is wetenschappers, bestuurders en studenten helpen om hun boodschap uit te dragen. We helpen contact te leggen met de media en leggen uit hoe de media werken en hoe je je boodschap kan overbrengen. We geven workshops over  bloggen, twitter en andere social media. We laten zien hoe de buitenwereld kijkt naar boodschappen vanuit de universiteit of individuen. Dat helpt wetenschappers om hun doelen (verspreiden van onderzoeksresultaten of fondsenwerving bijvoorbeeld) te bereiken.

Ik ken natuurlijk vooral de situatie bij de TU Delft en vroeger die bij de Universiteit Maastricht, maar hoor ook wel eens wat over hoe de collega’s elders het doen en meestal is dat niet fundamenteel anders.

Goed nieuws
Leggen we daarbij de nadruk op positieve verhalen? Ja, dat klopt wel. We zijn van ‘be good and tell it’. Maar journalistiek is ook niet waardenvrij. Ik kies mijn krant en de programma’s die ik bekijk vanwege de onderwerpen die ze behandelen en de manier waarop ze dat doen. Bovendien, in de journalistiek geldt bijvoorbeeld vaak dat goed nieuws, geen nieuws is, toch? Dat is een journalistieke, maar geen objectieve keuze.

Bladeren
Ik ben het wel met Duits eens dat het jammer is dat papier verdwijnt. Niet specifiek bij universiteitsbladen (Delta verschijnt nog in gedrukte vorm, zij het minder vaak dan vroeger), maar in het algemeen. Sinds de papieren wetenschapsagenda niet meer op mijn bureau ligt, volg ik de promoties e.d. veel minder. En die handige universiteitsgids mis ik nog wekelijks. Ik houd van bladeren door de bladen, maar de dagelijkse online nieuwtjes wil ik ook niet meer missen. Hoe jammer het ook is, in de praktijk moet je keuzes maken. Het maken en verspreiden van drukwerk is helaas duur.

Wat vertellen vooraanmeldingscijfers?

Tentamens in sporthallen, tenten, kerken of bedrijfshallen. Colleges in theaters, concertzalen of bioscopen. Dat hangt ons volgens sommige media boven het hoofd omdat “te veel studenten zich melden voor technische studies”. Bijna elk jaar verschijnen er spannende berichten naar aanleiding van de vooraanmeldingscijfers (het aantal scholieren die aangeven wat en waar ze in september willen gaan studeren). Achteraf blijken de berichten op basis van vooraanmeldingscijfers zelden correct.

Issue
Vooraanmeldingscijfers zijn weerbarstig. Daarover zo meer. Dat journalisten er toch over willen berichten begrijp ik wel, vooral als er problemen in de lucht lijken te hangen. Bovendien is het een maatschappelijk issue: leiden we voldoende ingenieurs op voor de kenniseconomie? Is het onderwijs van goede kwaliteit? Komen scholieren in de problemen omdat ze zich te laat aanmelden?… Blijft de vraag of je daarover iets zinnigs kan zeggen op basis van deze cijfers.

En daar wringt het schoentje. Want cijfers van eerstejaars, instroom en aanmeldingen komen nogal eens op verschillende manieren tot stand. En dan kan je met statistieken zowat alles bewijzen. Met wat gegoochel produceerde ik laatst tegelijkertijd cijfers die een stijging van de vooraanmeldingen als een daling aantoonden ;-). Dus wat moeten we als journalisten om cijfers vragen: zeggen dat je nog geen betrouwbare cijfers hebt of cijfers geven met een lijst kanttekeningen?

Noordhollands Dagblad

Noordhollands Dagblad

Waar gaat het eigenlijk over?
Studenten schrijven zich gewoonlijk in de zomer (plm. tot eind september) in bij de opleiding die ze willen volgen, maar eerder al melden ze zich aan, de zgn. ‘vooraanmelding’. Die aanmelding is niet definitief; ze kunnen dus nog switchen. Dit jaar waren scholieren voor het eerst verplicht zich aan te melden voor 1 mei. Handig denk je, universiteiten weten dan vroeg waar ze aan toe zijn. Het tegendeel is waar: de aankomende studenten mogen zich voor drie opleidingen aanmelden (en 1 numerus-fixusopleiding). De cijfers laten ook zien dat studenten zich dit jaar voor meer opleidingen hebben aangemeld dan vorige jaren. In de cijfers tellen de studenten dan bij elk van die opleidingen voor 1/3 mee. Maar in de praktijk kiezen ze uiteindelijk misschien wel overwegend voor dezelfde studie. Bovendien mogen ze bij de meeste universiteiten in september alsnog voor een andere opleiding kiezen.
(N.B. Om het nog complexer te maken: bij opleidingen met een numerus fixus gaat het net nog anders. Dat laat ik nu even buiten beschouwing.)

Studiekeuzecheck
Aankomende studenten moeten zich vanaf dit jaar zo vroeg aanmelden vanwege de Studiekeuzecheck. Daarbij komen ze een dag naar de universiteit of doen online opdrachten om een goede indruk krijgen van wat de opleiding behelst en hoe zwaar die is. Daarnaast geeft de universiteit ze ook feedback. Omdat de studiekeuzecheck dit jaar voor het eerst wordt toegepast, is het afwachten wat het effect wordt op de definitieve inschrijvingen bij de opleidingen.

Het systeem verandert steeds
Door alle wijzigingen in het beleid in de afgelopen tijd, kunnen we cijfers van verschillende jaren niet goed met elkaar vergelijken, dus kunnen we niet goed concluderen of het aantal studenten gaat stijgen of dalen en hoeveel precies. Factoren die de voorbije jaren het studiekeuzegedrag flink beïnvloedden waren bijvoorbeeld de onzekerheid over de langstudeerboete, het sociaal leenstelsel en de invoering van het bindend studieadvies. En natuurlijk spelen ook de eigen maatregelen van de universiteit een rol: de invoering van een numerus fixus bijvoorbeeld, doet het aantal vooraanmeldingen vaak flink dalen bij die opleiding en stijgen bij andere opleidingen. En ten slotte hebben verontrustende berichten over onderwijs in tenten wellicht ook nog hun weerslag. 😉

Appels en peren
En dan zijn er nog de onduidelijkheden rond de gehanteerde definities. Hebben we het alleen over de vwo-ers die instromen in het eerste bachelorjaar? Of ook over nieuwe inschrijvingen in de masterfase, van studenten die hun bachelor elders (in binnen- of buitenland) hebben gedaan of die van het HBO komen via een schakelprogramma? En de studenten die in het eerste jaar een negatief bindend studie advies kregen en moeten switchen naar een andere opleiding, zitten die in de cijfers die journalisten willen?
Een aantal van de vooraanmelders begint uiteindelijk toch niet aan de studie. Omdat ze niet geslaagd zijn in het secundair onderwijs of een tussenjaar gaan doen. Zittenblijvers tellen ook niet mee: zij krijgen te maken met een negatief bindend studieadvies en moeten dus een andere studie kiezen. Welke dat wordt, zien de universiteiten pas in september.

Peildatum
Dit jaar moesten studenten zich voor 1 mei aanmelden. Vorig jaar niet. Hoe ga je dat dan vergelijken? Vergelijk je 1 mei (harde deadline) van dit jaar met 1 mei van vorig jaar (geen deadline)? Betrouwbaarder is het om te wachten op het aantal studenten dat 1 oktober aan het studeren is. De eerste verschuivingen zijn dan al achter de rug. Ook de universiteiten hanteren die peildatum.

De moraal van het verhaal
Als een journalist ons belt over de vooraanmeldingen, proberen we het bovenstaande in een notendop uit te leggen. ‘Maar hoe zit het dan”, vraagt de journalist dan toch meestal. “Hoeveel vooraanmeldingen hebben jullie nu. Bij de TU Lutjebroek verwacht men een verdubbeling van hun instroom.”
We worden feitelijk gedwongen om cijfers vrij te geven. Doe je niet mee, dan heb je helemaal geen grip meer op de boodschap. Een lastige situatie.

Nou vooruit, hier komt onze prognostiek van dit moment (begin augustus 2014): we verwachten bij de Bacheloropleidingen een stijging. In elk geval een stijging die we prima kunnen opvangen. Nee, geen colleges in een tent of kerk, ook niet om de piek van de eerste drietal maanden op te vangen.
Dit najaar zien we of ik gelijk had of een erratum moet toevoegen aan dit blogje.

Ter illustratie

Dit jaar weken bij de TU Eindhoven de vooraanmeldingen flink af van de inschrijvingen. Cursor berichtte daar over. (Toegevoegd op 5 september 2014.)

 

 

Wereldverbeteraars

Een journalist van Trouw belde me laatst omdat hij naar aanleiding van het nieuwe klimaatrapport van de VN op zoek was naar enkele leuke Delftse studenten. De VN voorspelt dat als de wereld niet snel maatregelen neemt, de opwarming van de aarde niet meer te stoppen is. De journalist wilde in zijn verhaal graag studenten aan het woord laten die willen werken aan oplossingen, die bijvoorbeeld onderzoek doen naar maatregelen om rivierdelta’s veilig te houden.

Nu heb ik in mijn digitale rolodex geen tabblad ‘wereldverbeteraars’. Maar een rondje mailen, bellen en twitteren leverde een aantal geëngageerde studenten op. Slechts één van hen, Alwin Commandeur, paste precies in het plaatje dat Trouw voor ogen had en haalde het verhaal in de krant (helaas achter een betaalmuur).

Voor wie de komende tijd op zoek is naar betrokken Delfterikken, dit was de oogst:

Alwin Commandeur
Alwin Commandeur deed van september tot december 2013 stage in Myanmar (Birma) en werkte er rondom de Irrawady rivier. Myanmar staat voor zeer grote uitdagingen in de watersector en doet daarvoor sinds kort ook beroep op expertise uit het buitenland. De effecten van klimaatveranderingen zullen er een grote impact hebben: meer overstromingen, meer tyfoons en langere periodes van droogte.

Irrawady rivier, Myanmar

Irrawady rivier, Myanmar

Robin de Vries
Robin is MSc student Remote Sensing &Geoscience en was begin 2014 in Spitsbergen, waar hij o.a. Glaciologie (of gletsjerkunde) studeerde en zich verdiepte in de effecten van klimaatverandering. Als al het ijs op de wereld zou smelten, zou het zeeniveau gemiddeld 60 meter stijgen. Belangrijke steden en regio’s zouden onder water verdwijnen. Daarom boeien ijs en de invloed die klimaatveranderingen er op hebben Robin.
Lees de weblog van Robin.

Sjoerd Moorman
Sjoerd studeert Sustainable Energy Technology (MSc) en was lid van het Nuon Solar Team dat in 2013 met Nuna7 de World Solar Challenge in Australië won, de race voor wagens die uitsluitend op zonne-energie rijden. Eerder liep hij stage bij RIWIK East Africa Limited in Kenia, een bedrijf dat duurzame en betaalbare technologie verkoopt, zoals zonnepanelen en waterpompen op zonne-energie.

Momenteel werkt hij aan de technische ontwikkeling van een kleinschalig modulair Concentrated Solar Power systeem,  dat in staat is om de geproduceerde warmte voor langere tijd op te slaan en op het gewenste moment elektriciteit leveren. Het systeem kan als energievoorziening dienen voor bedrijven en gemeenschappen in afgelegen gebieden in Afrika die geen aansluiting hebben op het elektriciteitsnet. Op dit moment maken ze gebruik van dieselgeneratoren voor hun energievoorziening, maar ze staan open voor een duurzaam alternatief. Hiermee kunnen zij zowel in hun eigen energiebehoefte, als die van hun werknemers en omliggende gemeenschappen voorzien.

Rob de Jeu
Rob studeert Sustainable Energy Technology (MSc) en is voorzitter van de Delft Energy Club. De Delft Energy Club is een platform van studenten rond het thema energie. Het doel is om studenten, academici en bedrijven rond dit thema bij elkaar te krijgen, bijvoorbeeld door het organiseren van lezingen, energy games en bedrijfsbezoeken. Maar de Energy Club zoekt bijvoorbeeld ook naar stagemogelijkheden voor studenten en biedt projecten aan waarin studenten bijdragen aan de energietransitie: de overgang naar een energiemarkt waarin fossiele energiebronnen geheel of gedeeltelijk vervangen worden door duurzame.

In het kader van zijn studie onderzoekt Rob de komende tijd hoe de energiemarkt beter in staat gemaakt  kan worden om duurzame energie op te nemen. Daarmee hoopt hij op termijn een marktgestuurde stimulans voor duurzame energie te vinden.

Lotte de Vos
Lotte onderzocht de efficiëntie van de keramische potfilter, een simpel middel waarmee drinkbaar water kan worden geproduceerd in ontwikkelingslanden. Een leidingnet dat iedereen voorziet van veilig drinkwater, zoals we dat in het Westen kennen, ontbreekt in ontwikkelingslanden. Een systeem voor kleinschalig en huishoudelijk gebruik kan een goed alternatief zijn. De keramische pot is zo’n systeem. Vies water wordt gezuiverd door het door poriën van het keramiek te laten sijpelen. Lotte onderzocht hoe men in fabrieken in Cambodja de kwaliteitscontrole van de filters voor deze potten het best kan uitvoeren.

Lotte werkt ook mee aan de  gratis online cursus Introduction to Water Treatment van de TU Delft. Via cursussen (MOOC’s) zoals deze heeft iedereen, waar ook ter wereld, gratis online toegang tot de kennis van de TU Delft.

En dan nog deze:
Ecolution
“De meest idealistische studenten zitten bij Ecolution”, meldde iemand. Ik ben er niet meer ingedoken, want we hadden inmiddels voldoende studenten gevonden voor Trouw. Wat het blijft toch altijd jammer om mensen enthousiast te maken voor een mogelijk interview dat later toch niet door blijkt te gaan.

Dank dus allemaal voor jullie enthousiasme om te vertellen over de mooie projecten die jullie doen. Wellicht tot een volgende keer.

Naschrift (16 april 2014)

Omdat ik dit zelf een leuk onderwerp vind om over te schrijven en leuke reacties kreeg, wil ik graag een vervolg maken. Nominaties van wereldverbeterende studenten, onderzoekers, docenten, ondernemers… van de TU Delft zijn welkom.

Een niet-bestaande naald in de hooiberg

Een paar keer per jaar zien we in de media iets opduiken dat we echt niet kunnen plaatsen. Natuurlijk weten we het als persvoorlichters niet altijd vooraf als een interview met een TU-medewerkers op radio, tv of in een krant (blad, website…) verschijnt – zo gaat dat op een universiteit – maar meestal kan je het wel plaatsen. Ook als een derde verwijst naar ons onderzoek weet je meestal waar het over gaat of heb je een gefundeerd vermoeden. Soms moet je even zoeken, soms moet je lang zoeken en soms kom je er gewoon niet achter. En dan zijn er nog die gevallen waarin er iets niet klopt.

Digitale stempelkaart
Begin vorig jaar werden we overvallen door vragen over de digitale stempelkaart die studenten van de TU Delft ontwikkeld zouden hebben voor de Elfstedentocht. Het persbericht waarin ‘universiteitsmedewerker Timo ten Hoeven’ van de TU Delft aan het woord kwam, werd door veel media overgenomen. Maar er klopten wat dingetjes niet. We kenden de afdeling Digital Solutions niet, vonden geen spoor van Timo ten Hoeven en ook op plekken binnen de TU waar je dergelijk onderzoek eventueel kan verwachten, wist men van niets. Timo ten Hoeven liet zich zelfs interviewen op de radio, voor hij onvindbaar werd. Zijn voicemail: “Ik sta op het ijs, ben een beetje lastig bereikbaar, maar je kunt iets inspreken” versterkte ons wantrouwen. Dus nadat we een paar uur voorzichtig afstand hadden gehouden, werd onze boodschap ‘dit is waarschijnlijk een studentengrap’. Later kwam de aap uit de mouw. Het persbericht was leuk bij elkaar verzonnen door de redactie van het TV-programma RamBam die onderzocht in hoeverre hun collega’s persberichten checken. Dat bleek dus tegen te vallen. 😉

Kunstijs
Afgelopen dinsdag ging de telefoon weer over een bericht i.v.m. de Elfstedentocht: een redacteur van de NOS had gelezen dat de TU Delft had gezegd dat de Elfstedentocht op kunstijs gereden kan worden. De journalist wilde weten of dat klopte en met de betrokken wetenschapper praten. Ik wist nog van niks en ging het uitzoeken. Een blik op Google News liet meteen wat artikeltjes zien.

Samen net collega’s Wendy Batist en Carola Poleij gooiden we wat lijntjes uit, maar we vingen bot. Dus liet ik de NOS aan het eind van de middag weten dat we het bericht op dat moment niet konden bevestigen. Met 2.500 medewerkers en 19.000 studenten kan je eigenlijk ook nooit met zekerheid zeggen dat niemand hierbij betrokken is geweest.

De NOS formuleerde het dus voorzichtig.

Collega Michel van Baal tweette dat we het bericht nog niet konden bevestigen.

Tussendoor beluisterde ik dit bericht op Omroep Friesland. Luister zelf even.

ANP
Woensdagochtend stonden er inmiddels ruim 10 berichten over het kunstijs op internet. Opvallend trouwens dat de fout niet in alle nieuwsberichten stond, maar met name in media die het ANP-bericht overnamen. En maar één journalist had de moeite genomen om er even met ons over te bellen. De anderen willen het mooie verhaal misschien niet ‘kapot checken’ (?).

Naar de bron
Aan het eind van de ochtend belde Radio 1 die de betrokken wetenschapper wilde spreken. Ik besloot dat ik het maar eens straight from the horses mouth wilde horen. De bron van het bericht was Otto van der Galiën, lid van de Provinciale Staten van Friesland. Ik stuurde hem een mailtje (ik vond geen telefoonnummer op het web). Hij reageerde snel en liet me weten dat de TU Delft niet genoemd was in hun persbericht, maar dat zijn partij nog een haalbaarheidsstudie wilde laten uitvoeren, bijvoorbeeld door de TU Delft. Er was sprake geweest van miscommunicatie met een ANP-journalist.

Dat gaf ik even door aan de NOS-redacteur die ik eerder gesproken had. Ook belde ik het ANP. Via het ANP-kantoor in Rijswijk werd ik netjes teruggebeld door de betrokken correspondent in Friesland. Ook voor hem was het aannemelijk dat er sprake was van een misverstand. Hij zegde toe het bericht aan te passen.

TU Delft heeft niet…
Ook op Twitter waren vele berichten over het kunstijs te vinden, veelal zeer kritisch naar de PVV toe. Op enkele tweets, die verwezen naar de TU, reageerde ik met een rechtzetting. Eén tweep, een journaliste, vroeg de volgende ochtend door. Een paar uur later stond dit bericht online:

Wat Michel van Baal verleidde tot de tweet: Interessante nieuwe nieuwscategorie dit: “TU Delft niet gevraagd naar…” 😉 .

Sterk merk
Ik vond het in dit geval best lastig om niet voor een of ander politiek karretje te belanden. Het gaat mij om de naam van de TU Delft. De TU Delft is een sterk merk waar mensen graag gebruik van maken, voor een grap, een ‘journalistiek project’ of andere doelen. Aan mij en mijn collega’s niet alleen de taak om leuk nieuws uit te dragen, maar ook om het te corrigeren als het fout gaat.

PS 25-11-2013

De vraag ‘Een Elfstedentocht op kunstijs, kan dat?’ werd uiteindelijk toch aan de TU Delft gesteld. Niet door Otto van der Galiën, maar door Volkskrantjournalist Bard van de Weijer. Hij was geintigreerd door ‘met stip het merkwaardigste nieuws’ van de week ervoor en legde de vraag voor aan Scheikundejongen en TU-er Aldo Brinkman. Lees het artikel hier.

Aanbevolen blogs
Over RamBam en hoe redacties omgaan met fouten schreef Roy Meijer eerder een mooie blog:
Hanteren media 2 maten bij het verwijderen van artikelen uit archieven?

Michel van Baal schreef deze blog over een ander verhaal dat niet klopte:
Wifi: blaadjes dood, voorlichters hoofdpijn…

Waarom zou ik jou geloven?

Regelmatig praat ik met Delftse start-ups over contacten met de media. Een terugkerende vraag is: Hoe zorg ik er straks voor dat een persbericht bij mijn productlancering goed landt?

Ik ben me ervan bewust dat een starter dan in een hele andere situatie zit dan ik, persvoorlichter van de TU Delft, gewend ben. De gemiddelde Nederlander weet wat de TU Delft is en gelooft dat de TU, als het over technologie gaat, recht van spreken heeft. Die luxepositie heeft een starter niet.

Wederzijds belang
Als het gaat om een spin-off van Delfts onderzoek kan ik de jonge ondernemer makkelijk helpen vanuit het gedeelde belang. De TU Delft heeft er baat bij om aan de maatschappij te laten zien dat ons onderzoek leidt tot innovatieve diensten of producten waar in de markt behoefte aan is. Dus kan ik vanuit de TU Delft bijvoorbeeld een persbericht verspreiden met die boodschap. Voor veel journalisten en potentiële klanten verschaft de link met de TU Delft de starter al heel wat vertrouwen. Dat geldt in zekere mate voor alle bedrijven die voortkomen uit YES!Delft, de incubator van de TU, TNO en de Gemeente Delft.

Maar als het gaat om ondernemingen die niet voortkomen uit Delfts onderzoek, kan ik ze alleen van advies voorzien. En dat gaat ongeveer zo:

Wat vindt iemand die jou googelt?
Als je wilt dat je (pers)bericht over een productlancering in goede aarde valt, moet je die aarde eerst goed voorbereiden. Een journalist of klant die voor het eerst van je hoort vraagt zich af waarom hij jou zou geloven. Heb je ooit al ergens laten zien dat jij deskundig bent op dit gebied? Wat vindt iemand die jou googelt? Het is niet erg als een aantal google hits over je favoriete hobby gaan, als er maar ook voldoende verwijzingen zijn naar je expertise.

Waar blijkt die expertise zoal uit?
– Participeer je in discussies in relevante LinkedIn groepen?
– Ben ik je wel eens tegen gekomen op een congres, al dan niet als spreker?
– Heb je er voor gezorgd dat eerdere nieuwtjes die je had, bijvoorbeeld een leuke prijs die je won, in (vak)media of op fora werden gepubliceerd? En staat die ook op je eigen webite?
– Heb je een blog over je vakgebied, waar je bijvoorbeeld ontwikkelingen in het vak beschrijft? Of reageer je wel eens op een blogpost van een ander?
– Heb je wel eens een ingezonden stuk of opiniestuk naar een krant of blad gestuurd naar aanleiding van een actuele ontwikkeling?
– Twitter je over je vakgebied? Retweet of reageer je wel eens op relevante tweets van anderen? Weet je wie in de social media opinie leaders in je vakgebied zijn? En kennen zij jou?

Eerdere perscontacten
Heb je eerder al eens contact gehad met journalisten? Sommige media, zoals Sprout, schrijven veel over start-ups. Houd een bestandje bij van journalisten die je wel eens hebt gesproken. Denk je dat je een leuk nieuwtje hebt, benader ze dan eens persoonlijk en leg het aan ze voor. Zo onderhoud je je netwerk, krijg je goede feedback en ervaar je hoe journalisten naar nieuws kijken.

Experimenteer
Kortom, er is wel wat te doen (lang) voor je met je grote nieuws naar buiten treedt. Moet je al het bovenstaande doen. Nee, experimenteer er een beetje mee en kies dan de middelen die bij je passen. Gebruik een rustige dag om kritisch naar je LinkedIn profiel en interessante groepen te kijken. Stel meteen even een goede zoekvraag in op Google News, zo heb je regelmatig wat om over de tweeten of een reactie te schrijven in een LinkedIn groep.

Of je niks anders te doen hebt
Ik weet dat je je nu afvraagt in welke wereld ik leef. Of ik denk dat je niks anders te doen hebt. Maar als je eenmaal begonnen bent, hoeft het niet veel tijd meer te kosten. Afhankelijk van hoe druk het is, kijk ik een paar keer per dag of er nog leuk nieuws over (of relevant voor) de TU is dat ik kan twitteren. Ook kijk ik naar leuke tweets over de TU. Dat kost samen een minuut of 10. Als ik meer tijd heb, kijk ik nog wat verder wat leuke tweeps te melden hebben. Sommige dagen kom ik daar nauwelijks aan toe. Niet erg. Mijn LinkedIn groepen verwaarloos ik een beetje, maar als ik deze blog nou ook even ergens in een LinkedIn-groep post en op Facebook… En natuurlijk twitter ik hem en mijn collega’s en YES!Delft zullen het vast retweeten. Als ik reacties krijgen, kan ik een paar leuke retweeten (‘schaamteloze zelfpromotie’ mag, met mate) of een reactie terug plaatsen.

En dan moet je nog een goed persbericht schrijven.

Practice what you preach (2)

Drie maanden geleden schreef ik een blogje over mijn eerste dagen als MOOC-student bij de cursus The Challenges of Global Poverty van MITx. Dat vraagt natuurlijk om een vervolg over de afloop. Heb ik het af gemaakt of niet?

The Challenges of Global Poverty leek me een interessant onderwerp, maar bovenal vond ik dat ik als TU Delft-woordvoerder moest weten waar ik het over had als het over MOOCs gaat. Nu zullen MOOCs (Massive Open Online Courses) onderling net zoveel verschillen als colleges op de campus, maar je moet ergens beginnen. Spannend, dacht ik, een cursus van MIT. En aangezien ik nooit een gedisciplineerde student geweest ben, dacht ik dat de kennismaking niet lang zou duren. Ik heb mezelf verrast door de cursus acht weken lang trouw te volgen. Omdat ik in week 10 voor 2 weken op reis vertrok, heb ik er na acht weken een punt achter gezet.

Fan
In de loop van de cursus ben ik echt een fan geworden van de docenten Esther Duflo en Abhijit V. Banerjee, twee helden in hun vakgebied. Ik vind ze aardig, maar vooral leggen ze alles goed en geduldig uit. Soms is er een extra college door een assistent toegevoegd. Ik denk wel eens, is dit MIT? Maar eigenlijk is het goed dat MIT-hoogleraren er voor zorgen dat studenten de stof vanaf de basis goed snappen. Ik herinner me docenten die vonden dat je zelf maar moest zorgen dat je alles snapte wat zij uit hun notities orakelden. Zij hadden ongelijk.

De colleges in ‘mijn’ MITx cursus zijn opnames van de colleges die aan MIT-studenten worden gegeven. Dat heeft nadelen. Met name als tabellen en grafieken besproken worden, komen de aanwijzingen met de pointer op de powerpointprojecties vaak niet goed over. Dat is voor verbetering vatbaar. Op die momenten vind ik dat storend, maar met wat meer inspanning zou ik er wel uit kunnen komen.

Afmaken
Een veelgehoorde zorg in MOOC-land (en kritiek van buitenaf) is dat gemiddeld minder dan 10% van de studenten hun cursus afmaken. Ik snap dat het vanuit de organisatie een van de factoren is om het succes van de cursus te meten. Maar dan moet je je eerst afvragen hoeveel mensen aan de cursus beginnen met de intentie om hem af te maken? Hoeveel mensen zijn gewoon nieuwsgierig? Zoals communicatiemensen die een kijkje namen bij de UvA-MOOC? (Dit zijn twee een leuke bloge daarover: Why Do Students Enroll in (But Don’t Complete) MOOC Courses? en A Graphical View of Student Patterns in MOOCs.)

Grappig dat het bij mij net andersom was: ik wilde gewoon even een kijkje nemen en werd zo geboeid dat ik de cursus waarschijnlijk had afgemaakt als ik gewoon thuis was geweest. De cursus heeft me veel geleerd over verschillende aspecten van ‘Global poverty’. Daarnaast heeft het ook gewerkt als marketing, Ik heb veel respect en sympathie gekregen voor de twee docenten en hun MITx, veel meer dan wanneer ik alleen hun boek had gelezen. Ergens vermoed ik dat er nog wel een mailtje van de fondsenwerver van MITx langskomt 😉 en daar sta ik ook voor open.

Hapklaar
Naast goede docenten en een boeiend onderwerp, hield de opbouw van de cursus me bij de les. De (video-opnames van) colleges waren opgeknipt in blokken van zo’n 6 tot 20 min. Daarna volgden meestal een of twee vragen, die meestal niet moeilijk waren, maar waarmee ik toch even kon testen of ik de kern van het verhaal had meegekregen. Vorige maand schreef nu.nl nog ‘Tussentijds toetsen verbetert online leren’ over een onderzoek van Harvard University. Dat herken ik dus wel. Een heel praktisch, als avond-student is het lekker om tussen de blokken college door een kop thee te halen of even de wasmachine leeg te halen, of andersom, een stukje college te kijken in afwachting van het Journaal.

Colleges en literatuur
De inhoud van de colleges liep meestal parallel aan een hoofdstuk in het boek van beide docenten (gratis beschikbaar op de website van de cursus) en soms waren er nog andere artikelen of blogs om te lezen. Die kwamen allemaal aan bod in de toets (‘het huiswerk’) aan het eind van de week, al kwam ik vaak een heel eind als ik alleen de colleges had bekeken.

Forum
De cursus had ook een actief forum, maar daar heb ik geen gebruik van gemaakt. Wat ik er van meekreeg was dat de docenten en vooral hun assistenten daar ook de nodige aandacht aan besteden. Opmerkingen over onduidelijke vragen werden serieus opgepakt, wat natuurlijk belangrijk is voor de studenten die de MOOC met mooie cijfers op hun ‘certificate’ willen afsluiten. Vragen die achteraf onduidelijk bleken telden bijvoorbeeld met terugwerkende kracht minder zwaar mee of werden geschrapt. De docenten gaven herhaaldelijk aan dat het de eerste keer was dat ze de MOOC aanboden en dat het ook voor hen nog een leerproces was.

Te laat
En dan nog een heel ander puntje dat ik geleerd heb van 8 weken meekijken in de collegezaal: MIT studenten komen ook te laat. 😉

NB. Als je een andere ervaring mbt doorgaan of afhaken wilt lezen, raad ik je deze aan: On (Barely) Not Being a MOOC Dropout.

Hoe nieuws gemaakt wordt

Soms wordt persvoorlichters verweten dat we selectief zijn met informatie, een verhaal eenzijdig belichten of maar half vertellen, kortom framen. Maar laatst zag ik, samen met 700 studenten een meester-nieuwsmaker aan het werk. Een lezing van een top PR-man? Nee, op 28 maart 2013 hadden we CollegeTour over de vloer. En het was buitengewoon boeiend.

Alma Mater
Diederik Samsom was de gast van deze aflevering van CollegeTour en vond het leuk als de opnames gemaakt zouden worden bij de TU Delft, zijn Alma Mater. Ook wij waren enthousiast: dat Samsom en CollegeTour graag naar Delft wilde komen, dat onze studenten de kans kregen om het programma mee te maken en eventueel een vraag te stellen. Natuurlijk probeerden we nog even om zonnewagen Nuna of een ander studentenproject in het decor te krijgen ;-). Helaas lukte dat niet, maar er kwam wel een mooi auditorium met honderden leuke studenten in beeld.

Vragen van studenten
Het concept van CollegeTour is dat studenten samen met Twan Huys spraakmakende gasten uit binnen- en buitenland interviewen. De vragen die studenten stellen, worden aangevuld met filmpjes over de gast en korte interviews met mensen uit diens omgeving (live of opgenomen). Naast de vragen van studenten, stelt Twan Huys ook zelf vragen. Ik ben geen vaste kijker, maar de recente uitzendingen met Whoopi Goldburg en die met Desmond Tutu vond ik buitengewoon mooie en inspirerende televisie.

Het programma wordt vooraf opgenomen. Daarbij wordt het gesprek van 2 uur teruggebracht naar 45 minuten. Dat is prima, zo houd je de meest boeiende momenten van het interview over. Bij de uitzending met Diederik Samsom bleven er na de montage helaas niet heel veel vragen van studenten over.

Gaan we nu nieuws maken?
Het eerste moment waarop Twan Huys nieuws maakte, ging over het koningshuis. In een filmpje kwam politiek commentator van De Telegraaf Paul Jansen aan het woord. Hij vertelt dat Samsom een paar jaar geleden niet inging op een uitnodiging voor een etentje van het prinsenpaar. Twan Huys vraagt daar vervolgens over door en maakt de brug naar eerdere uitspraken van Samsom over het buitenissige vlieggedrag van het prinselijk paar. Samsom geeft aan dat hij geen orangist is, maar dit niet het belangrijkste onderwerp vind om zich mee bezig te houden. Later herhaalt hij dat nog eens. Toch vraagt Huys door over het PvdA standpunt en Samsoms mening over de toelage van en de belastingvrijstelling voor het Koningshuis. Tot Huys komt waar hij naartoe wilde en Samsom min of meer dwingt tot een ‘ja’ of ‘nee’ op de vraag of koning WA en koningin Maxima belasting zouden moeten betalen. “In principe wel”, zegt Samsom, “maar het staat niet op plaats 1 tot en met 100 op mijn lijstje van prioriteiten.” Hij vraagt: “Gaan we nu nieuws maken op het koningshuis? Heeft dit land niets beters te doen? Maar Twan Huys duwt door, tot hij het antwoord ‘ja’ krijgt. “Heb je nou nieuws gemaakt?”, vraagt Samsom. Leuk om te zien: min . 18 – 23.

YouTube voorvertoningsafbeelding

Ja of nee
Even later gebeurt iets gelijkaardigs (vanaf de 34e tot de 41e minuut). Naar aanleiding van een vraag van een student over de belastingschijven, maakt Huys een bruggetje naar de berichten eerder die week in de media over grote multinationals die via brievenbusconstructies op de Zuid-as vermijden dat ze belasting moeten betalen in andere landen. Huys wil van Samsom weten of de brievenbussen in belastingparadijs Nederland gesloten moeten worden. Samsom probeert daarop een genuanceerd antwoord te geven, maar wordt steeds onderbroken door Huys. Uiteindelijk zegt Samsom dat hij het een slecht idee vindt dat we in Nederland te weinig belasting heffen op bedrijven die hier niets doen, behalve hier geld langssluizen. Hij zegt dat hij dat wil veranderen. Hij wil de regels veranderen; die bedrijven moeten hier ook echt iets doen. Huys vat het kort samen in een oneliner. Samsom stelt: “Dan heb je nu nieuws gemaakt op iets wat wel belangrijk is.”
Daarmee is de discussie nog niet afgelopen. Samsom vertelt nog twee keer dat je het moet oplossen door het stap voor stap te verbeteren.

“Brievenbussen op de Zuidas moeten dicht”
Vóór de uitzending op 29 maart kondigt Twan Huijs op Twitter aan:

“Diederik Samsom vanavond in College Tour: “brievenbussen op de Zuidas moeten dicht”. http://tinyurl.com/cceuxa9

NOS.nl meldt na de opnames (28 maart):

Samsom: eind aan brievenbusfirma
PvdA-leider Samsom wil multinationals aan banden leggen die met brievenbusfirma’s in Nederland de belastingen in eigen land willen ontduiken. (…)

Trouw en Volkskrant:

Samsom: belastingroute multinationals aanpakken
(Bewerkt door: redactie − 28/03/13, 21:05 − bron: ANP)
Multinationals die Nederland gebruiken om de belastingdruk in hun eigen land te ontlopen, moeten aan banden worden gelegd. Dat zegt PvdA-leider Diederik Samsom morgen in College Tour (NTR). ‘Ik vind het een slecht idee dat Nederland een belastingparadijs is; dat we te weinig belasting heffen op bedrijven die hier niks doen, maar alleen maar hun geld langssluizen’, meldt Samsom.

Op de radio werd uitgebreid gediscussieerd over dat ‘plan’ van Samsom om een eind te maken aan brievenbusfirma’s en Nederland als belastingparadijs.

Frame
‘The truth is in the eye of the beholder’, of in dit geval in zijn of haar oor. Ik heb tijdens het interview niet de indruk gekregen dat Samsom zich opwierp als kruisvaarder tegen brievenbusfirma’s. Maar zo werd hij wel geframed. Je zag het gebeuren. Ik vraag me trouwens af of journalisten het interview bekeken hebben voor ze hun stukken schreven. Of zijn ze uitgegaan van een persbericht van de NTR (dat ik niet online kan vinden)?

Drammer versus draaier
Boeiend was ook twitter tijdens de uitzending (#NTRCollegetour). Sommigen mensen ergerden zich als Samsom niet direct antwoord gaf, geen ‘ja’ of ‘nee’ zei en ‘er omheen draaide’. Anderen stoorden zich er aan dat Twan Huijs Samsom niet liet uitpraten en zat te drammen.

Astrid Damstra:

wat een slecht en irritant suggestief interview dit keer van Twan Huys van #collegetour. Geen geduld om Samsom te laten antwoorden. Jammer

Manon van de Leur:

Ondanks een drammerige @twanhuijs genoten van @diederiksamsom in #collegetour Dat drammen is echt zonde, doet afbreuk aan sterk format

Daar ben ik het helemaal mee eens.

Collega ‏@michelvanbaal vatte samen:

Trouwens wel een aardige ‘battle of sympathy’, tussen @twanhuijs en @diederiksamsom, zie dit oudere blog http://michelvanbaal.weblog.tudelft.nl/2012/09/09/mediatraining-controle-en-sympathie/ …

Boeiende televisie dus, die nog leuker wordt als je de ‘making of’ hebt meegemaakt.

Mijn kennis, jouw copyright

Stel, je bent al zo’n 17 jaar vleugeldeskundige. Je bent er ooit op afgestudeerd, hebt een baanbrekend proefschrift geschreven en nog steeds  bestudeer je hoe vleugels van vliegtuigen lichter, sterker en efficiënter gemaakt kunnen worden. Je bent in Nederland echt dé deskundige op dit gebied. De komende jaren hoop je een nieuwe onderzoekslijn op te kunnen zetten om nieuwe ideeën in je vakgebied te kunnen onderzoeken. Je bent druk bezig met het schrijven van een onderzoeksvoorstel om fondsen aan te trekken voor dat onderzoek.

Mediastorm
En dan gebeurt er op Schiphol een incident met een vleugel van een groot passagiersvliegtuig. De piloot heeft al zijn vaardigheden in moeten zetten om het vliegtuig toch nog veilig aan de grond kunnen zetten. Er hadden doden kunnen vallen, zeggen sommigen in de luchtvaartsector. De media gaan op zoek naar een deskundige die kan duiden wat er fout is gegaan, waarom, wiens schuld het is, of meer vliegtuigen dit probleem hebben…. De telefoon staat roodgloeiend.
Eigenlijk wil je doorwerken aan je onderzoeksvoorstel. De deadline is over twee weken. Maar ja, een groot deel van het onderzoek is al die jaren door de maatschappij  betaald, dus je voelt je ook wel een beetje verplicht om je kennis te delen. Het is bovendien ook wel leuk om de mensen over je vak te vertellen. En voor je subsidieaanvraag kan het geen kwaad om je wat meer te profileren.

Tijd
En dus maak je een aantal uren vrij om wat journalisten terug te bellen. Ze blijken niet heel goed ingewerkt te zijn, hebben  vaak ook geen bêta-achtergrond, dus je biedt aan om hun stukken nog even te lezen voor ze naar de drukker gaan. En je geeft je 06-nummer, dan kunnen ze altijd bellen als ze nog een vraag hebben. De uren die je had vrijgemaakt, worden uiteindelijk bijna twee dagen. Je hebt drie cameraploegen te woord gestaan en bent ’s avonds nog in Hilversum aangeschoven bij een TV-programma. Een leuke ervaring!

Trots
’s Ochtends heeft de secretaresse de kranten gehaald. Leuk om alle stukken te zien. De student-assistent gaat aan de slag om al deze ‘maatschappelijke output’ weer te geven op jouw website en die van de afdeling, met linkjes, waar mogelijk, en pdf’s van de twee mooiste artikelen, die eigenlijk alleen over het interview met jouw gaan. Als je de website later bekijkt, voel je je best trots. Maar je bent ook blij dat je op dag 3 na het incident weer wat tijd aan je onderzoekaanvraag kan besteden.

Betaalmuur
Dit verhaal begon met ‘Stel…’. Een hoogleraar Vleugelkunde ken ik niet. Wel het belang dat veel wetenschappers (eenmaal over de drempel) hechten aan het delen van hun kennis met de burger, via media. Niet alleen vinden veel wetenschappers dat leuk en ook hun plicht, bij het aanvragen van subsidies speelt hun ‘maatschappelijke output’ ook steeds meer een rol. Wetenschappers laten dus graag zien welke lezingen ze gegeven hebben en in welke media ze hun kennis hebben gedeeld. Bij artikelen of uitzendingen die online staan, is het geen probleem om die ook op de website van de onderzoeker te laten zien. Maar wanneer artikelen alleen op papier zijn verschenen of achter een betaalmuur staan, is het niet altijd mogelijk voor de wetenschapper om die op zijn website te laten zien.

Copyright
Natuurlijk heeft de journalist (of zijn opdrachtgever) copyright op zijn producten. Maar hoe eenzijdig zijn die rechten als het artikel er niet gekomen was zonder de investering van de onderzoeker? Naar mijn idee hebben de journalist en de wetenschapper bij een interview beiden een belang. De wetenschapper stelt zijn tijd en opgebouwde expertise gratis ter beschikking van de journalist, heeft hij dan helemaal geen recht om de weergave van de journalist trots op bijvoorbeeld zijn website te plaatsen? Nu het voor wetenschappers steeds belangrijker wordt om hun maatschappelijke output aan te tonen, zullen we daar vaker over in gesprek gaan met journalisten. Ik ben alvast benieuwd naar het resultaat.

Practice what you preach

Wat ik het laatste jaar predik is heel vaak online open onderwijs: wat de TU Delft op dat vlak verwezenlijkt heeft, de kansen die we zien, de uitdagingen… De laatste maanden is er in dat verband een nieuw begrip aan mijn vocabulaire toegevoegd: MOOCs, Massive Open Online Courses.

De eerste werkdag na de kerstvakantie had ik met collega’s een bijeenkomst over de toekomst van online learning en MOOCs bij de TU Delft. De eerste opdracht was: neem eens een kijkje bij de belangrijkste platforms waar MOOCs worden aangeboden. Platforms, zoals edX en Coursera zijn een soort online catalogus, een kleine bol.com, waar je rustig kan bekijken wat er in de aanbieding is. Ik zocht een cursus ‘Rocketscience’, maar mijn oog bleef hangen op ‘The Challenges of Global Poverty’, een cursus van MIT op edX, het platform waarbij de TU Delft zich heeft aangesloten.

Tien dagen geleden, drie dagen voor de cursus begon, heb ik me ingeschreven. Het onderwerp interesseert me al lang; ik lees regelmatig bladen over ontwikkelingssamenwerking (of hoe je het ook wilt noemen) en vraag me dan af hoe ik al die uitingen op waarde kan schatten. Misschien kan ik dat leren van deze cursus, in elk geval is het leuk om te ervaren hoe zo’n MOOC werkt.

Inschrijven is een makkie
Inschrijven is een makkie. Er is geen selectie en het is gratis. Je vult dus gewoon een formuliertje in en wacht op de dag waarop het eerste deel van de cursus online komt. Elke week volgt meer: literatuur die je ‘moet’ lezen, videocolleges, oefeningetjes en serieuze toetsen. Er is ook een forum waar je desgewenst kan praten met medestudenten en de docenten. In de eerste teksten en filmpjes wordt uitgelegd hoe het werkt. Een kind kan de was doen, echt waar!

Bij de eerste uitleg, nog voor ik me inschreef, stond dat de cursus minimaal 6 u studie per week vergt. Dat moet net kunnen naast een baan. Ik hield er rekening mee dat ik meer tijd kwijt zou zijn: ik ben niet meer gewend te studeren, heb nooit in het Engels gestudeerd, en basiskennis van bijv. statistiek is aardig weggezakt. Ik verwachtte dus dat ik wel meer tijd kwijt zou zijn. Even later kwam ik er achter dat er sowieso 12 u per week voor de cursus staat. Slik! Misschien heb ik de info niet goed genoeg gelezen? Nou ja, we zien wel waar het schip strand.

Goed te doen
Inmiddels heb ik de eerste studieweek afgerond en voor de oefeningetje die ik gedaan heb, heb ik best mooie punten gehaald. Ik ga nog even door. Maar nu eerst even spijbelen om mijn ervaringen op te schrijven.

Het niveau van de cursus valt reuze mee, in de zin dat ik het goed kan volgen. Omdat ik de voorbije jaren nogal wat over het onderwerp heb gelezen, beschik ik dus wel over wat basiskennis, waarschijnlijk meer dan de gemiddelde 18-jarige. De on-campus studenten die het vak volgen hebben niet lang er voor inleidende vakken economie gehad, ik niet. Maar met af en toe even googlen kom ik er wel uit.

Statistiek
De eerste videocolleges over statistiek (kennis van de basics wordt aanbevolen) waren wel even schrikken; die kennis is duidelijk wat weggezakt en bovendien heb ik het altijd in het Nederlands gehad. Wat het extra lastig maakt, is dat in de videocolleges vaak niet te zien is wat de docent met de pointer op de geprojecteerde grafieken aanduidt. Als ze een stuk van een curve bespreekt, zie ik als MOOC-student dus vaak niet over welk stuk het gaat. Dat moet in de toekomst beter kunnen.

De eerste week heb ik braaf eerst de hoofdstukken in het boek gelezen en daarna de video-colleges bekeken. Als eigenwijze student vraag ik me nu al af of dat nodig is. Volgens mij heb ik wel genoeg aan de videocolleges.

Boeiend
Aan het eind van de eerste week valt het resultaat me mee. Ik heb gedaan wat ik moest doen, maar niet de discussies op het forum gevolgd, of daarin geparticipeerd. Uit de oefeningen blijkt ook dat ik het goed kan volgen. Het kost me veel tijd, maar het is boeiend. Dan maar een paar uurtjes minder tv kijken.

De cursus duurt 11 weken, dat is lang. Of ik het af ga maken weet ik niet. Niet als ik avonden spijbel om te bloggen ;-). In elk geval weet ik voortaan waar ik over praat als ik de zegeningen van open online onderwijs verkondig

© 2011 TU Delft