Disclaimer

De meningen ge-uit door medewerkers en studenten van de TU Delft en de commentaren die zijn gegeven reflecteren niet perse de mening(en) van de TU Delft. De TU Delft is dan ook niet verantwoordelijk voor de inhoud van hetgeen op de TU Delft weblogs zichtbaar is. Wel vindt de TU Delft het belangrijk - en ook waarde toevoegend - dat medewerkers en studenten op deze, door de TU Delft gefaciliteerde, omgeving hun mening kunnen geven.

KCollet

Karen Collet is persvoorlichter bij de TU Delft. Ze blogt op persoonlijke titel.

Een ‘Teach-Out’ over fake news

In het weekend van 21 april organiseerde de University of Michigan een Teach-Out over Fake News, Facts and Alternative Facts.

De Teach-Out bleek meer te zijn dan alleen een korte MOOC (online cursus). Het was niet alleen gericht op het overdragen van kennis, maar wilde vooral een discussie op gang brengen. Een Teach-Out grijpt terug naar de Teach-Ins van de jaren ’60: events van enkele dagen over een belangrijk, complex thema uit de politieke actualiteit, zoals destijds de Vietnam oorlog. Met Teach-Outs richt de University of Michigan zich nu weer op actuele maatschappelijke thema’s. Maar nu wil ze niet alleen de mensen op haar eigen campus, maar een nog veel breder publiek bereiken. Aan deze Teach-Out namen mensen deel uit 130 landen.

De University of Michigan vindt het nieuws en de invloed van fake news en alternative facts zo’n belangrijk thema omdat burgers in een democratie zich door nieuws informeren en een mening vormen over wat er speelt, bijvoorbeeld op het gebied van gezondheid. En het nieuws geeft politici een beeld van wat het volk wil, stelde Josh Pasek, een van de docenten.

Josh Pasek en Brian Weeks schetsten in enkele videocolleges een theoretisch kader: hoe weet je of iets waar is (welke soorten bewijs bestaan er), welke soorten onjuist nieuws bestaan er (van satire tot bewust misleidende informatie), hoe herken je onjuiste informatie… De videocolleges werden afgewisseld met een aantal interviews met journalisten die tevens gastdocent zijn aan de UM over hoe zij informatie zoeken en selecteren.

Interessant vond ik bijvoorbeeld de psychologische mechanismen waarmee we als nieuwsconsument onszelf onbewust dwarszitten, zoals cognitive bias (de neiging om mensen die op ons lijken meer te geloven) en het backfire effect (als je iets hoort dat tegen je mening ingaat, verwerp je die nieuwe info soms en wordt je oude overtuiging nog sterker). De MOOC werd afgesloten met de aansporing om je eigen nieuwsconsumptie een week kritisch tegen het licht te houden met behulp van deze “10 Questions for Evaluating Media” handout.

Ik vind het idee achter Teach-Outs interessant. Het kan een manier zijn om een discussie op gang te brengen die gevoed wordt door wetenschappelijke kennis. Of dat ook echt werkt kan ik moeilijk beoordelen. Voor mijzelf gaat een discussie op deze manier niet echt leven. Zelf gebruik ik online cursussen liever als een boek, ik lees, bekijk en beluister ze, maar krijg niet het gevoel dat ik deel uitmaak van een klas of een groep. Daar heb ik ook geen behoefte aan.

Inhoudelijk vond ik het boeiend. Op de grote lijnen hoorde ik niet veel nieuws, maar het was interessant om de informatie gestructureerd te bekijken, met hier en daar wat nieuws of in een prikkelende combinatie. Jammer was wel dat alleen Amerikaanse media aan bod kwamen.

In het weekend van 5 mei is de volgende Teach-Out van de UM: Stand up for Science: Practical Approaches to Discussing Science that Matters en later volgt er nog een over Obamacare. Kijk hier voor de geplande events.

Verbeter je techniek

Vlak na de tiende verjaardag van Twitter kwam ik (op Twitter) een voorbeeld tegen dat het verschil in ons werk toen en nu mooi illustreert.

Tien jaar geleden waren jongeren heel moeilijk te interesseren voor techniek, terwijl bedrijven net als nu om ingenieurs schreeuwden. De instroom aan de TU Delft (eerstejaars bachelors) was toen nog vijftig procent lager dan nu (ruim 2.000 in 2006 tegenover ruim 3.000 in 2015). Dus maakten we campagnes om jongeren naar onze voorlichtingsdagen te trekken. Met een knipoog wilden we laten zien dat de TU Delft spannend, leuk…was, in elk geval niet suf. Daarbij zochten we tien jaar geleden het randje op, met als doel ‘in the buzz te komen’ bij jongeren.

Campagne
De campagne bestond uit drie beelden: een dj achter een statafel, een jongen op een skateboard en een jongen die de bh-sluiting van een meisje open maakt. Dat laatste beeld dook deze week op op Twitter.

verbeter je T1

Gratis feedback
Tien jaar geleden lieten we na de campagne en de voorlichtingsdagen 43 scholieren ondervragen over wat ze vonden van de campagne en de voorlichtingsdagen. Deze week ontstond online onmiddellijk een discussie. Gratis feedback, daar had je tien jaar geleden als campagne manager een lief ding voor over gehad! Uit de interviews van toen bleek dat de scholieren de posters grappig vonden, maar niet relevant. Wat was de link met techniek? De ‘bh-poster’ vonden de ondervraagden ‘een beetje flauw’. Binnen de TU Delft waren de reacties verdeeld. Sommige mensen vonden het idioot of seksistisch om de TU Delft te verkopen met ‘bloot’. Dat er ook fans waren bleek toen al uit het feit dat de posters gretig aftrek vonden bij studenten en medewerkers.  Blijkbaar hangt er ergens op de universiteit nu nog een die deze week op de foto werd gezet.

Uiteenlopende reacties
Net als toen waren er deze week uiteenlopende reacties. Verbaasde Dat motiveert toch niemand erover na te denken of zij misschien techniek willen studeren, boze Kansloos @tudelft. Techniek kan zo vet zijn, en dan doe je dit. #seksime #platvloers #patriarchie, maar ook grappige @TUDelft kleedt je uit?.
Overigens ebde de discussie snel weer weg toen we uitlegden dat het een beeld uit een tien jaar oude campagne was.
Kijk hier voor de Storify.

Verbeter je T2Verbeter je T3

In gesprek gaan
Ik denk niet dat we een dergelijk beeld nu weer zouden gebruiken als we alles uit de kast moesten halen om de aandacht van jongeren te trekken. We kennen inmiddels de aantrekkingskracht die studentenprojecten, leuke voorbeelden van onderzoek … hebben. Als we iets prikkelends zoals in 2006 zouden proberen, zouden we nu waarschijnlijk juist gebruik maken van de kracht van online media om in gesprek te raken met onze doelgroep.

Bold

Is dit nu wat ik bereikt heb na 25 jaar als persvoorlichter bij Nederlandse universiteiten: binnen een week woordvoeren over de smaak van de koffie op de universiteit en over een poster van de collega’s in Groningen in een Delfts bushokje? 😉 Over beide onderwerpen belde het AD Delft me.

Die poster van de RUG vind ik natuurlijk prima. Hij is brutaal. “Ze hebben bijna de Delftse arrogantie te pakken”, zei een collega lachend. Nederlandse universiteiten zijn vóór studentenmobiliteit: studenten die hun bachelor aan de ene en hun master aan een andere universiteit doen. Het liefst met ook nog een half jaartje aan een buitenlandse universiteit ergens in het programma. Om studenten daartoe aan te zetten communiceren universiteiten langs allerlei kanalen, zoals advertenties in elkaar universiteitsblad of in de bushokjes van studentensteden. En toch prikkelt het altijd als je zo’n advertentie ziet, zeker als die lekker brutaal van toon is.

Zo ook met dit billboard van de RUG. Aan het begin van de ochtend zag ik de eerste tweet:
bold1
Twee collega’s reageerden al dat dat niets nieuws was. Toch belde het AD aan het begin van de middag, om te vragen of ik de poster gezien had. Ja, ik had er wat tweets over gezien. Wat ik er van vond? Ik vertelde dat ik er geen probleem mee had. Of wij ook billboards hadden? Nee, wij doen veel online. Jullie hebben het zeker niet nodig? Ik zei dat ik dat een mooie samenvatting vond.

Ik vermoedde toen al dat het AD me die laatste uitspraak in de mond zou leggen: ‘Dat hebben we niet nodig’. Een vorm van journalistiek die ik niet heel correct vind. Wanneer je een quote (“ “) aan iemand toedicht, moet diegene het wel zo hebben gezegd. Vind ik. Maar in dit geval kan ik erg om lachen.

bold

Een interview: meer dan vragen beantwoorden

Deel 3 in mijn serietje met mediatips voor spinoffs van de TU Delft en andere geïnteresseerden.

Een interview is meer dan het beantwoorden van vragen, het kan een kans zijn om je verhaal te vertellen. Dan moet je je wel goed voorbereiden.

1. Wat je moet doen vóór je een interview toezegt
Als je een persbericht hebt uitgestuurd, wil je natuurlijk graag de media te woord staan, maar soms word je door een journalist gebeld zonder dat je weet wat de aanleiding is. Wil je dat interview dan wel geven? Begin niet zomaar aan een interview. Als je het goed voorbereid, kun je er meer uit halen.
Stel eerst zelf enkele vragen als je een interviewverzoek krijgt:
– Naar aanleiding waarvan belt de journalist?
– Voor welk medium werkt de journalist?
– Waarom belt de journalist (achtergrondinformatie, interview)?
– Wanneer wordt een item geplaatst/uitgezonden?
– Wanneer, waar, hoe laat zou interview plaats moeten vinden?
– Telefonisch of een bezoek?
– Wie wordt er nog meer geïnterviewd?
– Contactgegevens journalist

2. Voorbereiding interview
– Bedenk wie van je bedrijf het beste geïnterviewd kan worden. Is het voor TV of radio, bedenk dan wie het best overkomt op de camera, wie heeft de beste stem, wie formuleert het meest kernachtig?
– Kan je verhaal in beeld gebracht worden (TV/radio?). Heb je zelf beelden die je kan aanbieden?
– Waar wil je het interview laten plaatsvinden? Welke omgeving ondersteunt je verhaal? (maar voorkom ook afleidingen)
– Formuleer je 2 of 3 kernboodschappen: wat wil je in ieder geval gezegd hebben?
– Bepaal de 5 W’s (wie, wat, waar, wanneer en waarom)
– Bedenk aansprekende voorbeelden/vergelijkingen
– Zijn er lastige vragen die de journalist kan stellen? Wat kun je daarop antwoorden?
– Oefen eventueel met bekenden

Mic

 

3. Het interview
Grijp vragen aan om je eigen verhaal (je kernboodschappen) te vertellen, ook al vraagt de journalist er niet naar. Meestal is een journalist op zoek naar een goed verhaal en geeft het niet als je niet helemaal op de vraag antwoordt. Als je hem (of eigenlijk de radioluisteraar/TV kijker) maar boeit. Je kan bijvoorbeeld een vraag kort beantwoorden en dan doorpraten: “maar weet je wat ik hier vooral zo boeiend aan vind?…” (en dan volgt jouw verhaal).
Wees zo concreet mogelijk en gebruik woorden die een beeld oproepen.
Kies je eigen woorden en vermijd het ontkennen van negatieve termen, bijvoorbeeld “Het is hier helemaal geen rotzooitje…”.

4. Niet tevreden…
Spreek voor je aan een interview begint even af of je de tekst mag lezen en corrigeren op feitelijke onjuistheden voor die wordt gepubliceerd. De meeste journalisten vinden het prima dat je even meekijkt of alles klopt, maar het blijft hun verhaal, dus zij bepalen hoe ze het opschrijven. Vind je een tekst eigenlijk echt niet zo goed, beperkt je dan tot het aangeven van de 2 of 3 grootste onjuistheden.
Zie je pas na publicatie dat er fouten in een online publicatie staan, probeer die dan nog recht te laten zetten. Rectificatie van een gedrukt stuk heeft niet veel zin, maar online wil je graag dat het klopt ‘voor het archief’.

5. Copyright op knipsels
Wil je een leuk artikel op je website plaatsen? Vraag dan eerst even toestemming aan de journalist of uitgever, er zit immers copyright op het verhaal. Dieplinken naar een artikel op hun website mag natuurlijk altijd.

Meer weten?
Er zijn talloze bronnen voor tips over het geven van een goed interview. Ik noem er twee: The ultimate media interview checklist en Mr mediatraining. Michel’s blog heeft ook nog de nodige tips uit de mediatrainingen van de TU Delft.

In dit serietje met mediatips voor spinoffs, schreef ik eerder Een persbericht en andere manieren om in de krant te komen en Tips voor een persbericht.

Tips voor een persbericht

Hoe schrijf je een goed persbericht, vragen spinoffs van de TU Delft me vaak. Laatst vertelde ik al in een blogje dat ik ze altijd eerst vraag wat ze daarmee willen bereiken en of een persbericht wel de beste weg is naar dat doel.
Voor wie toch een persbericht wil schrijven, zijn er op het web tal van adviezen te vinden. Goede en minder goede, in mijn ogen. Hier volgen, in een notendop, mijn tips.

Begin met de conclusie
Anders dan bij een wetenschappelijk artikel, begint een persbericht met de conclusie (het nieuws) en leg je dat in de volgende paragrafen uit. Plm. een A4-tje is een mooie maximale lengte.
Een journalist krijgt dagelijks tientallen of honderden berichten in zijn inbox. Hoe spring je er uit? Bedenk een goede kop en zet die in het ‘onderwerp’ van je mail. Vertel in de eerste paragraaf in elk geval: wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe?

Plaatje
Zorg voor een goed plaatje dat het nieuws illustreert. Er mag best een logo zichtbaar zijn, maar journalisten gebruiken niet graag een reclamebeeld. Ga daar dus slim mee om. Dat er een logo op bijvoorbeeld een apparaat staat is logisch, maar als je voor een groot reclamebord met het logo gaat staan, of je logo in een beeld plakt, heb je kans dat de journalist het beeld niet gebruikt en zelf een ander plaatje zoekt. Plak het plaatje (lage resolutie) in de tekst en geef onder het bericht aan hoe de journalist een HR-beeld kan downloaden of opvragen.

5 W's

Verzenden
Plak de tekst van je persbericht gewoon in het mailtje. Meesturen als bijlage is niet nodig. Stuur sowieso liever geen (grote) bijlagen mee, voor meer informatie kan je linken naar het web.

Stuur je je het bericht naar meerdere media tegelijk, zet dan niet de hele lijst in het ‘aan’-veld, maar adresseer het bericht aan jezelf en zet de lijst in de bcc.

Zet je contactgegevens onder het bericht en zorg dat je goed/snel telefonisch en per mail bereikbaar bent voor journalisten die meer willen weten.

Ook een kleiner nieuwtje kan interessant zijn voor bepaalde vakmedia. Benader hen gerust. Per mail of telefonisch, zo doe je ervaring op en werk je aan een netwerk. Bouw bij elk contact met een journalist aan je eigen mediabestand.

Twaalf punten voor een goed persbericht:
1 Waarom wil je eigenlijk in de media komen? Wat is je doel en doelgroep? Is een persbericht het beste middel?
2 Nieuws: wat is de aanleiding voor het persbericht? In de eerste paragraaf leg je uit wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe. Begin met de belangrijkste info en leg dat later verder uit
3 Denk aan je kernboodschappen: wat zijn de 2 of 3 dingen die je in elk geval wil meegeven over je bedrijf of product? Verwerk die in de tekst.
4 Maak duidelijk welk probleem je oplost / leef je in in de belevingswereld van de doelgroep.
5 Gebruik heldere taal, vermijd jargon.
6 Gebruik quotes en voorbeelden.
7 Zakelijk en concreet. Zeg bijvoorbeeld liever ‘de eerste in Nederland’, dan ‘uniek’.
8 Geef cijfers weer als herkenbare grootheden (zo dik als een haar of zo groot als 4 voetbalvelden…).
9 Vermijd grootspraak en vage termen (vrij vaak, tamelijk). Gebruik alleen superlatieven als je echt de eerste, grootste, kleinste of snelste bent. Vaak is dat ook de aanleiding voor het bericht.
10 Bedenk een goede kop. Lekt de kop de lading? Springt hij er uit?
11 Denk aan een goed plaatje.
12 Een ‘goh’-moment, een feitje of voorbeeld dat mensen verrast, heeft impact.

Heb je een link met de TU Delft, dan kan je de persvoorlichters daar altijd vragen om even mee te kijken.

Veel succes!

De morgenstond …

Soms begint de dag erg mooi. Zoals toen dinsdag de QS ranking verscheen. Mijn twittertijdlijn stond vol met berichtjes zoals ‘TU Delft stijgt op wereldwijde ranglijst universiteiten’, met linkjes naar allerlei artikeltjes over de nieuwe QS ranking. Het resultaat van een zwaar PR-offensief? Nee, we plaatsten alleen om 1 uur ’s nachts (toen het embargo afliep) een bericht op onze website. Misschien maakte dat het verschil, dat we de eerste bron waren?

Blijkbaar zag ANP ons bericht en werd het via hen verder verspreid. In de media herkende ik niet alleen de kop, maar ook de toelichting uit ons bericht: de flinke verschuivingen in de ranglijst dit jaar hebben (deels) te maken met een verfijning van de manier waarop de universiteiten worden beoordeeld en de lijsten worden samengesteld. Daardoor stijgen TU’s en dalen bijvoorbeeld universiteiten met een medisch centrum.

Wanneer de QS ranking verschijnt, proberen we onze achterban te informeren met een bericht op onze website. Of we nu stijgen of dalen, we proberen een informatief bericht te maken, met een rustige toon. Vandaar ook dat we vrij prominent melding maakten van de veranderingen in de methodiek. We sturen het verder niet rond als persbericht.

nachtwerk

Er was dus geen slim PR-offensief dat tot die mooie stukjes in de media en op Twitter leidde. Alleen een stukje in alle vroegte op de website leverde dit op. Nu.nl, NOS online en Teletekst, Volkskrant en Trouw. Later volgden oa RTL Nieuws en AD met een andere insteek – Universiteiten dalen op lijst – en voegde Nu.nl nog een artikel toe: UvA beste Nederlandse universiteit.

Deze storify laat met een kleine selectie van tweets het verloop van het verhaal daar zien. Om 5u ’s ochtends was de QS zelfs trending topic.

Een persbericht en andere manieren om in de krant de komen

Als ik met spin-offs van de TU Delft praat, komt regelmatig de vraag terug: Hoe maak je een persbericht?
Waarom wil je eigenlijk in de media komen, vraag ik dan. Wat wil je daarmee bereiken en wie wil je uiteindelijk (via de media) bereiken met je boodschap? Kortom, ik ga even terug naar het aloude rijtje ‘doel, doelgroep, middel’.

dart

Hoezo?
Journalisten willen weten waarom jouw verhaal relevant is voor hun doelgroep. Ingenieurs zijn vaak heel goed in het uitleggen hoe iets werkt. Denk je dat je interessant nieuws hebt, stel jezelf dan de vraag ‘Waarom?’ of ‘Hoezo?’ tot je de kern gevonden hebt van waarom jouw nieuws relevant is voor de lezer (of kijker…).

Bedenk ook dat er verschillende soorten media bestaan, bijvoorbeeld: FD, BNR en RTLZ zijn erg geïnteresseerd in economisch nieuws, Radio 1 en Volkskrant hebben een breder blikveld, Technisch Weekblad en De Ingenieur hebben de technische invalshoek, TV West zoekt een link met de regio … Denk ook aan de online magazines en blogs. Voor welk medium (en hun lezers) is jouw bericht relevant en wat is voor hen een aantrekkelijke invalshoek?

Pitch bij een journalist
Denk je dat je belangrijk nieuws te melden hebt, dan kan je overwegen om een persbericht uit te sturen, maar realiseer je wel dat journalisten dagelijks tientallen berichten in hun mailbox krijgen. Soms is het handiger om een journalist exclusief te benaderen en jouw idee voor een artikel te pitchen. Zo krijg je ook meteen feedback op je voorstel en daar leer je van. Journalisten begrijpen best dat je geen volleerd persvoorlichter bent. Vaak zal de journalist je vragen of je de info ook in een A4-tje hebt staan, zodat hij er even rustig naar kan kijken, dus het is handig als je dat al hebt voorbereid. Sommige (vak)bladen zullen je zelfs de mogelijkheid geven om een concept artikel aan te leveren.

Alternatieve wegen
Een andere manier om in de media te komen, is door in te spelen op de actualiteit. Media zijn vaak op zoek naar deskundigen die het nieuws kunnen duiden, of het nu gaat over plannen om een nieuwe weg aan te leggen of een ongeluk met een brug. Speelt er iets in de media waar jij, vanuit je expertise je licht over kunt laten schijnen, dan kun je dat op twee manieren aanpakken.
(1) Een ingezonden stuk of opiniestuk aanbieden. Op de websites van de kranten/bladen lees je welke eisen ze stellen aan dergelijke stukken.
(2) Jezelf aanbieden als deskundige. Als je verbonden bent aan de TU Delft kan dat soms via de persvoorlichters van de universiteit.
Hierdoor maak je jezelf zichtbaar als deskundige (wat ook relevant is voor je bedrijf) en doe je ervaring op de media. Leg meteen een bestandje aan van de journalisten waarmee je contact hebt, dat kan later nog van pas komen.

Begin nu! Sommige bedrijven wachten het liefst met naar buiten treden tot hun productlancering. Dat is niet persé verstandig. De media zijn tegenwoordig erg geïnteresseerd in nieuws over startups en hoe het is om een bedrijf op te zetten. Dat geeft je de kans om al wat ervaring op te doen met hoe media werken. De Marketing coördinator van YES!Delft kan je vast helpen aan een ingang.
Ben je een spin-off van de TU Delft, dan kunnen de persvoorlichters van de universiteit je misschien helpen.
Lees meer over waarom je tijdig aan je PR moet gaan werken.

Verder lezen

Meer weten over PR: een leuke website is PR in your Pajamas (wel erg gericht op de VS) en deze Tien tips voor vergroten van je naamsbekendheid.

Netjes antwoord geven hoeft niet altijd

‘Kudos’ voor Jaap van Deurzen die na de crash van het toestel van GermanWings in het RTL Nieuws beloofde om geen microfoon onder de neus van nabestaanden te duwen. Ik vind het als televisiekijker en als persvoorlichter hoogst ongemakkelijk om te zien hoe diepverdrietige mensen door de pers worden overvallen. Prima dus, als dit het begin van een nieuwe journalistieke koers is.

Je kunt natuurlijk zeggen dat mensen een keuze hebben om wel of niet antwoord te geven. Ik denk dat het niet altijd zo werkt. Zo’n microfoon onder je neus heeft iets dwingends. Zoals collega Michel van Baal zegt: “Je goede opvoeding zit je dan in de weg. Achttien jaar lang heeft je moeder je geleerd dat je netjes antwoord moet geven als je iets wordt gevraagd.” Maar moet dat wel altijd? Volgens mij mag het, maar het moet niet.

Invalshoek
Nieuws wordt steeds vaker ingestoken vanuit de menselijke invalshoek. Soms maakt een interview duidelijk wat de impact is van een gebeurtenis en soms is het gewoon een prettige afwisseling in een monoloog van de presentator. Journalisten interviewen dan bijvoorbeeld omstanders of ze zoeken op Facebook en Twitter, door de berichten te bekijken die mensen er over plaatsen.

Brand
Omstanders werden bijvoorbeeld geïnterviewd toen het gebouw van Bouwkunde een aantal jaren geleden afbrandde. Een medewerker van de faculteit luchtte voor de camera zijn hart bij een vriendelijke journalist terwijl het gebouw achter hem brandde. Hij werd nog maanden daarna, bij alles wat er gebeurde rond BK-city steeds weer gebeld, tot hij het meer dan zat was.

Boos tweetje
Zelf ondervond ik een paar jaar geleden ook hoe journalisten een tweetje kunnen oppikken. Ik wond me op over de berichtgeving over iets dat bij mij in de straat gebeurde en gooide er een verontwaardigde tweet uit. Niet veel later hing een lokale journalist aan de lijn die graag meer wilde weten. Oeps, daar had ik geen zin in, in mijn rol als woordvoerder mag je me altijd bellen, maar privé hoef ik niet zo nodig in de krant. Okee, daar had ik misschien aan moeten denken voor ik tweette, maar ja, soms reageer je uit je emotie. Gelukkig begreep deze journalist dat.

Overval
Bij de TU Delft maakten we al een paar keer mee dat journalisten na een ongeluk uitzochten van welke vereniging een student lid was en daar naartoe gingen op zoek naar een reactie. Facebook geeft dat soort informatie makkelijk prijs. Ik wil het beeld even schetsen: Je bent een jaar of 20, een van je vrienden is zwaargewond of overleden en terwijl je onderweg bent om met vrienden samen te komen kom je een journalist tegen, misschien wel met een camera: “Wat is het voor iemand? Dronk hij/zij veel? Vier jaar geleden is er toch ook al eens een studente verongelukt?! …”.

Afbeelding1

Heb je daar wel zin in?
Enfin, genoeg voorbeelden. In workshops plagen wij onze collega’s graag met dit soort ‘overvalletjes’ van journalisten. “Kent u decaan A? Aardige man? Werkt hard? Wist u van zijn wietplantage in de kelder? Hij is vanochtend aangehouden op Schiphol….”
De moraal van de oefening is: Zorg dat je weet met welke journalist je praat, waarom zij (of hij) je al die vragen stelt en neem even de tijd om te bedenken of je daar met haar over wilt praten. Heb je de informatie die je nodig hebt om een antwoord te kunnen geven? En heb je er überhaupt zin in? Is er iemand anders die de vragen beter kan beantwoorden? En vervolgens mag je naar de persvoorlichters verwijzen, of niet.

Eigen afweging
Zelf zou ik (denk ik) niet zo gauw een interview afgeven bij een gebeurtenis die me persoonlijk raakt. Het lijkt me niet prettig om nog lang erna steeds weer geconfronteerd te worden met (de emoties van) dat moment. Maar iedereen moet die afweging zelf maken.

Als persvoorlichter wil ik mensen graag helpen om die afweging te maken. Mijn collega’s en ik kunnen uitleggen hoe de media werken. Daarom vragen we om onze contactgegevens op te nemen als er bij een incident een intern mailtje uitgaat, zodat medewerkers of studenten naar ons kunnen verwijzen of zelf contact opnemen om met ons te overleggen. Soms blijkt uit ons gesprek dat ze wel met een journalist willen praten en kunnen we ze helpen om hun boodschap helder te krijgen. Soms is het voor hen gewoon prettig te horen dat ze een journalist naar ons mogen verwijzen, en dat het best okee is om eens niet netjes antwoord te geven als je iets gevraagd wordt. Maar nog mooier is het natuurlijk als een journalist bedenkt dat het soms ook niet netjes is om die microfoon onder iemands neus te duwen.

Nepstudenten!

Vorige week blogde ik over het raadsel van de ‘nepstudenten’. Inmiddels is het opgelost: het was inderdaad een nepbericht over niet-bestaande studenten.

Scholier
Het bericht over twee studenten die volgens een aantal media (AD, Nieuws.nl, RTV Utrecht) een systeem ontwikkelen tegen autobranden, blijkt afkomstig te zijn van een scholier. Hij wilde voor een project van school uitzoeken welke criteria journalisten hanteren voor nieuws. Het leek de jonge onderzoeker handig om een nepbericht op een nieuwspagina (ik weet niet welke, misschien nu.jij of iets dergelijks) te plaatsen, met een telefoonnummer er onder. Als een journalist hem dan zou bellen, zou hij gewoon kunnen vragen waarom die journalist het bericht nieuws vond.

Checken
De persvoorlichter in spe moet zich rot geschrokken zijn, want journalisten belden naar verluid niet om het bericht te checken, ze schreven het gewoon over! Althans, een journalist schijnt geprobeerd te hebben om hem te bereiken. Toen de scholier terugbelde kreeg hij de journalist niet te pakken.
Drie journalisten belden de TU Delft in een poging met de studenten in contact te komen. Dat lukte niet, want wij konden de studenten niet vinden. Een van hen zocht nog even verder en besloot uiteindelijk om niets te publiceren.

anti autobrandsysteem

Toeval
Wij kwamen er bij toeval achter dat het verhaal inderdaad nep is. Een collega hoorde op een feestje toevallig de moeder van de scholier vertellen over het leuke project dat haar zoon had gedaan… De naam van de scholier heb ik niet gevraagd; jongeren hebben (tot op zekere hoogte) het recht om fouten te maken, zonder dat dat ze wordt nagedragen.

Nieuws
Jammer aan dit verhaal is dat de scholier geen antwoord heeft gekregen op zijn onderzoeksvraag. Twee factoren speelden in elk geval, denk ik:
– Het was actueel, omdat er kort daarvoor (rond nieuwjaar) veel autobranden waren in Utrecht.
– Het was maatschappelijk relevant, om dezelfde reden.

Makkelijk
Ik vind het ook wel interessant om te bedenken waarom dit zo makkelijk ging, waarom hadden deze journalisten zoveel vertrouwen in het bericht, zonder bevestiging van de TU Delft? Een paar ideeën:
– Het past in een patroon: Delftse studenten doen leuke projecten en daar communiceren we veel over.
– De scholier maakte gebruik (of misbruik) van een sterk merk, de TU Delft. Dat geeft veel lezers en journalisten vertrouwen. Vreemd genoeg is dat dus zelfs zo als wij het verhaal niet kunnen bevestigen.
– Dus waarschijnlijk geldt hier ook de stelregel dat je een goed verhaal niet ‘kapot moet checken’.

Niet betrokken
Wat kan ik zelf leren van deze geschiedenis? Hadden we iets anders kunnen aanpakken? Ik denk het niet. We worden vaker gebeld met een vraag over een project dat ik en de collega’s nog niet kennen en slagen er dan meestal wel in om de betrokken student of wetenschapper te vinden. Maar andersom is lastiger, het is vrijwel onmogelijk om zeker te weten dat geen van onze wetenschappers of studenten betrokken is. Zie ook de vragen die ik mezelf stelde aan het slot van mijn vorige blog.

Vaker
Onjuiste of nepverhalen waarin de TU Delft wordt genoemd, duiken elk jaar wel een paar keer op. Mijn collega’s en ik schreven er al eerder over:
Wifi-stralen slecht voor bomen (Michel van Baal)
Digitaal stempelen bij de Elfstedentocht (Roy Meijer)
Elfstedentocht op kunstijs

Tot slot
Beste scholier, als ik je nog kan helpen met een gesprekje over wat volgens mij nieuws is; je bent welkom.

Nepstudenten?

Af en toe duikt er in de media iets op dat mijn collega’s en ik niet kunnen plaatsen. Ook de afgelopen dagen kwamen we er maar niet achter wie die twee studenten zijn die volgens een aantal media (AD, Nieuws.nl, RTV Utrecht) een systeem ontwikkelen tegen autobranden. Volgens sommige van de berichten studeren ze Integrated Product Design in Delft. Die studie hebben we, maar de studenten zijn daar niet bekend. Ze staan niet in de studentenadministratie, ze hebben geen e-mailadres van de TU Delft… niets, nothing, nada.

anti autobrandsysteem

Maandag (12 januari) kreeg collega Wendy Batist de eerste journalist aan de lijn die op zoek was naar de beide studenten. Ze dook er in, samen met de collega’s van de faculteit Industrieel Ontwerpen (waar Integrated Product Design deel van uitmaakt) maar kon geen spoor vinden.

We willen journalisten  natuurlijk wel heel graag helpen, dus toen ik dinsdag meer persvragen kreeg, ondermeer uit Hilversum, ging ik verder zoeken. Ook dat bracht me niet verder; niet via de gebruikelijke kanalen binnen TU Delft, ook niet via Google. Geen Facebookpagina’s, geen toevallig berichtje op de website van een sportclub, niets.

Dan de zware middelen maar inzetten ;-): een oproepje op Twitter : ‘Wie kent….’. Ook een berichtje naar de HBO’s op de campus leverde niks op. Niemand kent deze nijvere studenten, lijkt het wel.

Wie kent

Dus nu is de vraag: bestaan ze wel? En bestaat hun onderzoek? Zijn hun namen in de artikels soms zo verhaspeld dat we ze niet kunnen vinden? Of is het weer een projectje van journalisten die willen zien of hun collega’s er in tuinen? (Zie dit blogje van mij en dit blogje van Roy Meijer) Of blijkt er straks weer eens verwarring te zijn tussen de TU’s van Eindhoven, Twente en Delft?
Wie weet het?

© 2011 TU Delft